De term duurzame ontwikkeling werd voor het eerst gelanceerd in 1987, maar om te begrijpen waar het om gaat, is het interessant om even naar de voorgeschiedenis te kijken. Het concept kwam immers niet uit het niets maar kan gekaderd worden in de brede maatschappelijke ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog:
Het toenemende milieubesef, de onhoudbare economische, sociale en postkoloniale problemen vertoonden een dergelijke complexiteit en verwevenheid, dat de Verenigde Naties beslisten om een aantal commissies op te richten om een antwoord te bieden op deze problemen. Eén van die commissies was de World commission on environment and development, onder leiding van de Noorse eerste minister Gro Harlem Brundtland. Het doel van deze commissie was het integreren van ecologische aspecten in het economische ontwikkelingsdenken.
De World commission on environment and development, of kortweg Brundtlandcommissie, presenteerde in 1987 haar rapport: ‘Our Common Future’. Hierin wordt duurzame ontwikkeling gedefinieerd als “een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarmee de mogelijkheden voor toekomstige generaties in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien”.
Sindsdien ontstonden er vele andere definities en vertalingen van het containerbegrip duurzame ontwikkeling. In de context van het bedrijfsleven lanceerde Elkington bijvoorbeeld het Triple P-model, of een bedrijfsvoering gebaseerd op People, Planet en Profit. Duurzame ontwikkeling wordt dan ook vaak aanzien als het streven naar een evenwicht tussen economische, sociale en ecologische. Toch gaan er steeds meer stemmen op voor een holistische interpretatie, waarbij de economische aspecten ingebed zijn in de sociale aspecten, die op hun beurt zijn ingebed in de ecologische aspecten.